Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op
zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader,
Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Here der heerscharen zal dit doen. Daarom zal de Heer zelf u een teken geven. Zie, de maagd is zwanger, en zal een zoon baren, die zij zal noemen Immanuël. De profetie van Micha: `Maar jij, Betlehem in Efrata, al heb je in Juda niet veel te betekenen, toch zul jij iemand voortbrengen, die namens mij over Israël heersen zal,' zegt de Heer. `In het verre verleden ligt zijn oorsprong, in lang vervlogen dagen.' De Heer laat zijn volk wel aan zijn lot over, maar alleen totdat de vrouw die zwanger is haar kind ter wereld heeft gebracht. Dan zullen wie de ballingschap hebben overleefd, terugkomen bij hun volksgenoten in Israël. Die koning zal een herder voor zijn volk zijn. In hem zal de macht van de Heer zichtbaar worden, de roemrijke majesteit van de Heer, zijn God. Dan kan zijn volk veilig wonen, want hij zal zijn macht in heel de wijde wereld tonen. |
God stuurde de engel Gabriël naar Nazaret, een stad in Galilea, naar een jonge vrouw
die aan een zekere Jozef uitgehuwelijkt was. Jozef stamde af van koning David.
De vrouw heette Maria. De engel ging haar huis binnen en zei tegen haar: `Ik groet u, u die de gunst van de Heer geniet, de Heer is met u.' Bij deze woorden raakte Maria in verwarring en zij vroeg zich af wat die woorden mochten betekenen. `Wees niet bang, Maria,' vervolgde de engel, `God schenkt u zijn gunst. Luister: u zult zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, en u moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden en hij zal Zoon van de Allerhoogste worden genoemd. God de Heer zal hem de troon van zijn voorvader David geven; hij zal regeren over de nakomelingen van Jakob, voor altijd; aan zijn koningschap zal geen einde komen.' Maria zei tegen de engel: `Hoe zou dat kunnen? Want ik heb geen gemeenschap met een man.' De engel antwoordde haar: `De heilige Geest zal over u komen, de kracht van de Allerhoogste zal u als een schaduw bedekken. Daarom zal het kind aan God gewijd zijn en zijn Zoon worden genoemd. En Maria zei: `Ik zal de Heer dienen. Wat u gezegd hebt, laat dat met me gebeuren.' En de engel ging bij haar weg. In die tijd kondigde keizer Augustus het besluit af dat iedereen in zijn wereldrijk zich moest laten inschrijven. Deze eerste registratie vond plaats toen Quirinius gouverneur was in Syrië. Iedereen ging op weg naar de plaats waar hij vandaan kwam, om zich daar te laten inschrijven. Ook Jozef ging van Nazaret in Galilea naar Judea, naar de geboortestad van koning David, Betlehem geheten, want hij stamde uit het geslacht van David. In Betlehem liet hij zich inschrijven samen met Maria, zijn vrouw, die in verwachting was. Toen ze daar waren, was het de tijd dat het kind geboren moest worden. Maria bracht een zoon ter wereld, haar eerste. Ze wikkelde hem in doeken en legde hem in een voederbak, want er was in de herberg geen plaats voor hen. In de omgeving waren herders die buiten de nacht doorbrachten om de wacht te houden bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer voor hen, en de glorie van de Heer omstraalde hen. Ze werden verschrikkelijk bang, maar de engel zei: `Wees niet bang! Want luister, ik breng u een blijde tijding, die voor het hele volk bestemd is. Vandaag is in de stad van David uw redder geboren: Christus, de Heer. Dit zal voor u het teken zijn: u zult een kind vinden dat in doeken gewikkeld is en in een voederbak ligt.' En ineens was er bij de engel een hele menigte andere engelen uit de hemel, die allemaal God loofden: `Eer aan God in de hoge hemel en vrede op aarde voor de mensen die hem lief zijn!' Toen de engelen naar de hemel waren teruggekeerd, zeiden de herders tegen elkaar: `Kom! Laten we naar Betlehem gaan. De Heer heeft ons bekendgemaakt wat er gebeurd is; laten we gaan kijken.' Ze gingen er haastig heen en vonden Maria en Jozef en het kind, dat in de voederbak lag. Toen ze dit alles gezien hadden, vertelden ze wat de engel hun over dit kind gezegd had. Allen die ervan hoorden, verbaasden zich over wat de herders hun vertelden. Maria bewaarde al die woorden in haar hart en overdacht ze bij zichzelf. De herders gingen terug en prezen en loofden God om alles wat ze gehoord en gezien hadden; alles was zoals het hun gezegd was. |
DE GEBOORTE VAN |
Dit is de afkomst van Jezus Christus. Maria, zijn moeder, was uitgehuwelijkt aan Jozef, maar ze woonden nog niet bij elkaar. Maria nu bleek zwanger door de heilige Geest. Haar man, Jozef, een rechtschapen mens, wilde haar niet in opspraak brengen en besloot in stilte van haar te scheiden. Maar toen hij zich dat had voorgenomen, kreeg hij een droom. Een engel van de Heer verscheen hem en zei: `Jozef, zoon van David, wees niet bang Maria, uw vrouw, bij u te nemen, want het kind in haar is uit de heilige Geest. Zij zal een zoon baren en u zult hem de naam Jezus geven, want hij is het die zijn volk zal bevrijden van hun zonden.' Door dit alles werd vervuld wat de Heer door de profeet gezegd heeft: De maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal hem de naam Immanël geven, wat betekent: God met ons. Toen Jozef wakker geworden was, deed hij wat de engel van de Heer hem had gezegd: hij nam zijn vrouw bij zich. Hij had geen gemeenschap met haar voordat zij haar zoon had gekregen. En hij gaf hem de naam Jezus. |
HET VERSLAG VAN LUKAS |
In het begin was het Woord. Het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God. Door het Woord is alles ontstaan en zonder het Woord is er niets ontstaan. In het Woord was leven, en dat leven was het licht voor de mensen. Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet kunnen doven. Er kwam iemand die een gezant van God was; zijn naam was Johannes. Hij kwam als getuige: hij moest getuigen van het licht, zodat door hem alle mensen tot geloof zouden komen. Zelf was hij het licht niet; hij moest getuigen van het licht, het echte licht, dat ieder mens verlicht, en dat kwam in de wereld. Het Woord was in de wereld; de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. Hij kwam naar zijn eigen domein, maar zijn eigen volk aanvaardde hem niet. Maar aan wie hem aanvaardden en in hem geloofden, heeft hij het recht gegeven kinderen van God te worden! Dat worden zij niet door hun afstamming, of op natuurlijke en menselijke wijze, nee, zij worden uit God geboren. Het Woord is mens geworden en is onder ons komen wonen. Wij hebben zijn glorie gezien, vol van goedheid en waarheid, de glorie die hij ontving als enig kind van de Vader. |
Waarom Jezus werd zoals wij. |
Daarom moest hij de mensen in alles gelijk worden. Zo zou hij in zijn dienst aan
God als een medelijdend en getrouw hogepriester boete doen voor de zonden van het
volk. Omdat hij zelf beproevingen heeft ondergaan, kan hij allen die beproefd worden, helpen. Onze hogepriester kan volledig meevoelen met onze zwakheden. Hij heeft alle beproevingen net zo ondergaan als wij. Alleen, gezondigd heeft hij niet. We kunnen dus vol vertrouwen naderen tot de troon van de genadige God. Daar zullen we barmhartig en genadig behandeld worden en op de juiste tijd hulp ontvangen. |
Je kunt deze stukken in de Bijbel vinden op de volgende plaatsen: Lukas 1 vers 26 tot 38. Lukas 2 vers 1 tot 20. Mattheüs 1 vers 18 tot 25. Hebreeën 2 veers 17 en 18. Hebreeën 6 vers 15 en 16. Jesaja 9 vers 6 en 7. Jesaja 7 vers 14. Micha 5 vers 2. |
Jesaja over de komst van de Redder |
JEZUS CHRISTUS |
HET VERSLAG VAN MATTHEÜS |
WAT JOHANNES OVER JEZUS'KOMST SCHREEF: |